Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij zeer geringe veranderingen in de samenstelling van de gal slaat, volgens de voorstelling van Naunyn, de cholesterine neer; om de epitheelcellen, als kern, hoopt zich dan het cholesterine op en op die wijze wordt de steen gevormd. Een lichte verandering in de normale, alcalische reactie der gal zou reeds eene praecipitatie van de cholesterine ten gevolge kunnen hebben. Deze verandering kan bijv. reeds intreden door het rijkelijk gebruik van vleesch of door een lichte ontsteking; deze laatste zou, volgens Naunyn, een verhoogde afscheiding van epitheelcellen in de galwegen doen ontstaan en deze epitheelcellen zouden bij het uiteen vallen het cholesterine leveren. Te samen met een belemmerden afvoer van gal, bijv. ten gevolge van obstipatie, het dragen van een corset, het herhaalde malen doormaken van een graviditeit enz., zou de plaatselijke ontsteking van het slijmvlies der galblaas het aetiologisch moment voor de galsteenvorming zijn.

Maar ook Naunyn's theorie kon den toets der critiek niet doorstaan. In de eerste plaats had Aschoff er op gewezen, dat bij talrijke gevallen van galsteen-aandoening macroscopisch noch microscopisch eenige aanwijzing kon gevonden worden van een vroeger doorgemaakt ontstekingsproces der galblaas, terwijl toch de gevonden steenen zuivere cholesterine-steenen waren.

Verder toonde zijn leerling Bacmeister aan, dat uit steriele gal, na filtratie, dus na het ontnemen van epitheelcellen, toch zeer gemakkelijk cholesterine kon uitkristalliseeren.

Dan publiceerde de Langen in het Gen. Tijdschrift voor Ned. Indië in 1916 eenige beschouwingen over de chol.stofwisseling en rassen-pathologie. Daarin deelde hij mede,

Sluiten