Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbonden met het doorstroomingstoestel, ten einde zoo spoedig mogelijk de doorstrooming in gang te kunnen zetten.

Het doorstroomingstoestel bestaat uit eenige flesschen volgens Mariotte, die door buizen uitmonden in een gemeenschappelijke buis, die met de canule van Kronecker verbonden kan worden. Door middel van kranen is het mogelijk om de vloeistof uit elke flesch afzonderlijk te laten doorstroomen. Bij het begin der proef werd er steeds voor gezorgd, dat het hart eerst met Ringer'sche vloeistof werd doorspoeld, opdat het hart zich kon herstellen van de shock, die het afbinden veroorzaakt kon hebben. Bovendien werden zoodoende tevens abnormale harten tevoren herkend.

De Ringer'sche vloeistof had de volgende samenstelling:

Natriumchloride ... 0.6 0/o

kaliumchloride .... 0.01 %

calciumchloride . . . 0.02 %

bicarbonas natricus . 0.02 %

aq. dest. . 100

Aan deze vloeistof werd opzettelijk niet, gelijk Locke deed glucose toegevoegd, omdat we zekerheid wenschten te hebben met chemisch zuivere zouten te werken. De natrium, kalium en calciumzouten, die in de Ringer'sche vloeistof gebruikt werden, konden tijdens het onderzoek, dat in de oorlogsjaren plaats had, chemisch zuiver worden verkregen, maar voor de glucose was dat onmogelijk. Deze stof werd daarom uitgeschakeld, temeer omdat de proeven niet van langen duur zouden zijn.

In verband met de samenstelling der Ringer'sche vloeistof moet ook nog op een andere bijzonderheid worden gewezen. Zooals reeds bekend was, gedragen kikvorschharten zich niet altijd gelijk, in het bijzonder tegenover de kationen, die in de voedingsvloeistof aanwezig zijn. De Boer ') heeft dit verschijnsel nader onderzocht en daarbij kunnen aantoonen, dat de door hem in de maanden Juli en Augustus onderzochte kikvorschharten een vloeistof van andere samenstelling noodig hadden, dan de oorspronkelijke vloeistof van Ringer. De oorzaak van dit verschijnsel is tot nu toe nog niet opgehelderd, al zullen waarschijnlijk volgens Zwaardemaker 2) sensibilisatoren er een rol bij spelen. Bovendien is het nog niet geheel en al zeker of er naar aanleiding van dit verschillend gedrag gesproken mag worden van winterkikvorschen en zomerkikvorschen,

') S. de Boer. Archives néerl. de Physiologie Tome II, p. 352, 1918. 2) H. Zwaardemaker. Verslag Kon. Akad. v. Wetensch. Wis-en Natuurk. Afd. Deel 29, 390, 1920. Deel 29, 29 Januari 1921.

Sluiten