Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9- F., 62 jr.

ie onderzoek, R lage AG. 1.61, lage EG. 7529, normale adapt. 4676

2e n „ 0.75, „ „ 4078, „ ff 5437

3e i) „ „ 0.42, „ „ 2250, „ „ 5357

Ter vergelijking een normale :

Dr. OR. AG. 4.05 EG. 30908 7632

Van deze patiënten hebben no. 1 tot en met 6 een zekere tabes en eveneens zekere tabetische opticusatrophie.

N°. 7 heeft zekere tabes en waarschijnlijk tabetische opticusatrophie.

NO. 8 heeft zekere tabes, daarbij waarschijnlijk postneuritische opticusatrophie.

N°. 9 heeft misschien tabes, zoo ja, wel zeker 'n tabetische atrophie.

Het komt mij voor, dat bij al deze patienten de stoornissen in het verloop der lichtgevoeligheid uit de donkergezichtsvelden, die hier weinig van de in 't licht opgenomen verschillen, in hoofdzaak te verklaren zijn. Men vindt normale en op verschillende wijze gestoorde adaptatie. Van een typische adaptatiestoornis is geen sprake.

Bij pat. 1 blijkt, dat bij duidelijk bleeke papil, sterk verminderde gezichtsscherpte en gezichtsveldstoornis de EG. normaal kan zijn. (L. O.).

Bij NO. 2 is 't gezv. R. sterk gestoord, 't centrum ontbreekt; in overeenstemming hiermee is de AG. niet meetbaar, de EG. eveneens laag.

't L.O. heeft in overeenstemming met de goede AV. een normale AG. 't Gezv. is vrij sterk peripheer beperkt, de gevoeligste zone zal niet normaal meer zijn, de EG. is. matig verminderd.

Sluiten