Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

follikel heeft; een éénlagig epitheel omsluitend een centrale holte; het epitheel is echter nog niet zoo regelmatig en vertoont op enkele plaatsen gapingen. Deze laatste follikels zijn gevuld met de wazige lichte eosinophiele schuimachtige stof.

3. Schildklier van een na 36 uur gestorven voldragen kind.

Een sterk hyperaemische klier met wijde sterke gevulde bloedvaten, zoowel in de vrij breede kapsel en bindweefsel-septa, als in het omhulsel van de follikels. Het klierweefsel is voor een gedeelte nog weinig gedifferentieerd; dicht opeenliggende kliercellen, waarin nog geen groepeering tot follikels te onderkennen valt; daarnaast ziet men massieve follikels, follikels waar een centrale holte begint op te treden met verval van de middelste cellen en vorming van de schuimachtige licht eosinophiele stof en follikels gevuld met colloied van homogene samenstelling met laag eenlagig epitheel. De follikels zijn klein; in den isthmus zijn de colloiedhoudende follikels talrijker dan in den lobus.

Enkele lymphspleten zijn met colloid gevuld.

De desquamatie in deze schildklier is zeer gering.

4. Schildklier van een voldragen doodgeboren kind.

Het bindweefsel en de vaten treden in deze schildklier sterk op den voorgrond. Door bindweefselschotten is de klier in kwabjes verdeeld van zeer onregelmatige grootte en vorm. In deze kwabjes dringen bindweefselschotjes, die de kwabjes in follikels verdeelen. Zoowel de grootere bindweefselstrooken tusschen de kwabjes, als de bindweefselomgrenzing van de follikels dragen een bijzonder groot aantal sterk gevulde bloedvaten. Om iederen follikel is een krans van capillairen te vinden; ook dringen capillairen den follikel binnen. Soms omgeeft een wijde singel bestaande uit een capillairvat een follikel.

Een gedeelte van de follikels is geheel gevuld met een celweefsel van gelijke kleine cellen met ronde kern, die zeer dicht op elkaar gepakt liggen. In andere follikels liggen de cellen uit elkaar, schots en scheef door een; men vindt hier kernveranderingen (pyknose, slechte kleurbaarheid, kernzwelling) en een vervloeien van het protoplasma tot een schuimige draderige massa. In enkele follikels treft men aan de eene pool het eerste beschreven dichte celweefsel aan de andere pool de los dooreen liggende cellen aan. Van een vorming van follikels met een centrale holte en wandstandig epitheel is nog niets te ontdekken.

5. Schildklier van een voldragen doodgeboren kind.

Een sterk hyperaemische schildklier: alle bloedvaten zijn sterk gevuld ; de follikels liggen gebed in een krans van capillairen, zooals

Sluiten