Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cellen vloeit samen en valt uiteen tot een mazige, licht eosinophiele massa. Isenschmied en Hesselberg hebben ook op dit argument tegen het postmortale ontstaan van de desquamatie gewezen. Moeilijk zijn deze celveranderingen toch op te vatten als ontstaan in het tijdsverloop tusschen dood en sectie.

Dan hebben Lübke en De Quervain door proeven de al of niet afhankelijkheid van de desquamatie van een postmortale rotting trachten aan te toonen. De eerste bewaarde schildklieren gedurende tweemaal 24 uur bij een temperatuur van 50 C. en zag geen of uiterst geringen invloed op de desquamatie. De Quervain liet schildklieren eenige uren in leidingswater liggen; onderzocht hij ze binnen zes uur, dan was er van eenigen invloed niets te bespeuren, na meer dan zes uur zag hij alleen aan de peripherie een versterkte loslating van cellen.

Maar nog sterker argument dan dit alles, lijkt mij het feit, dat ook in Basedowstrumae, een dergelijk beeld te vinden is, dat geheel gelijkt op de desquamatie in de schildklier van den pasgeborene. Ribbert, die uitvoerig op deze desquamatie bij Basedowstrumae ingaat, vermeldt een geval, waarbij de fixatie onmiddelijk bij de operatie plaats vond en hij toch sterke desquamatie met degeneratie van de epitheelcellen vond. Ook A. Kocher beschrijft deze desquamatie. Aan eenige praeparaten van Basedowstrumae heb ik mij kunnen overtuigen, dat deze desquamatie typisch gelijkt op die van de schildklier van pasgeborenen.

Het komt mij voor, dat hierdoor de opvatting van de desquamatie als postmortaal verschijnsel wel voor goed weerlegd is.

Als we deze desquamatie dus noch als een postmortaal proces, noch als een kunstproduct mogen beschouwen, hoe moeten wij ons dan voorstellen, dat deze optreedt?

Sluiten