Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der spierelementen. In het algemeen veronderstelt hij, dat de bloedeosinophilie eenvoudig een begeleidend verschijnsel is van de individueel wisselende parasietenfauna van het darmkanaal.

Türk ziet in de eos. cellen eveneens een biologische reactie op specifieke giften. Deze kunnen echter ook van endogene natuur zijn, zooals bij de E. D Hij meent, dat hierbij het gif bestaat in abnormale chemische stofwisselingsproducten van de in haar functie gestoorde cel.

De vernietiging der eos. leucocyten heeft plaats in lymphklieren, milt en beenmerg (Naegeli.)

Keeren we nu terug tot onze oorspronkelijke vraag : welke beteekenis heeft de bloedeosinophilie bij de E. D. ?

Ik meen te hebben aangetoond, dat zij niet het gevolg is van de verschillende manifestaties dier diathese. Hiermede is echter niet bewezen, dat de andere verschijnselen Jen de eosinophilie eenvoudig gecoördineerde symptomen zijn. Het is n.1. theoretisch nog mogelijk, dat de verschillende manifestaties afhankelijk zijn van de bloedeosinophilie. Voor zoover mij bekend is, heeft geen der onderzoekers op dit gebied rekening gehouden met deze mogelijkheid, [ ah doet de opmerking van Klinkert, dat bezitters van een constant verhoogde bloedeosinophilie aanleg" hebben tot asthma, vermoeden dat zijn gedachten wel in deze richting zijn gegaan

Laat ons zien of er eenige steun te vinden is voor deze opvatting.

De nauwkeurigste waarnemingen omtrent het gedrag der eos. cellen zijn gedaan'.bij asthma, zij het dan gewoonlijk bij volwassen lijders.

Klinkert maakte curven van de intensiteit der verschijnselen bij eenige asthmalijders en den graad der bloedeosinophilie. Beide lijnen liepen grootendeels parallel Veel aanvallen en hoog gehalte van het bloed aan eos. cellen gingen samen. Op dit verschijnsel had reeds Von Noorden in 1892 gewezen. Hij bepaalde de bloedeosinophilie bij 5 asthmalijders, en vond ten tijde der aanvallen hooge waarden. Bij een patiënt met veel aanvallen onderzocht hij zeer vaak en meent, dat uit zijn bevindingen blijkt, dat het aantal eos. cellen na den aanval steeds het hoogst is. Gaat men echter zijn onderzoekingen nauwkeurig na, dan

Sluiten