Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zichtigheid uit. FRANK SMITHIES1) en BLUMGARTEN2) vonden een groot aantal carcinoompatienten met negatieve reactie, terwijl omgekeerd bij allerlei andere ziekten haemolysinen konden worden aangetoond. RlCHARTZ 3) vermeldt i 50 pCt. positieve gevallen, M. WEINBERG en MELLO4) noemen gelijke getallen. De conclusie, waartoe GRAFE en GRAHAM 5) in 1911 na een uitvoerig onderzoek komen, luidt dan ook, dat voor de diagnose van het carcinoom de haemolytische reactie van CRILE van geen belang is. BüRGER 6) heeft er later nog eens den nadruk op gelegd, dat autolysinen bij het carcinoom nog nooit zijn vastgesteld. Sinds dien wordt deze vraag slechts zelden meer in de literatuur besproken. Nu ons bovendien sinds de onderzoekingen van MOSS7) e.a. het veelvuldig voorkomen van iso-agglutininen en in veel mindere mate van isolysinen bij normale personen bekend is, waarbij door het agglutinatievermogen van de roode bloedlichaampjes en het agglutineerend vermogen van het serum een indeeling van de menschen in vier groepen doorgevoerd is kunnen worden, is aan het aantoonen van deze stoffen in ziekelijke toestanden slechts weinig beteekenis meer in diagnostisch opzicht toe te kennen.

Andere onderzoekers sloegen een tweede weg in. Zij bestudeerden in vitro de werking van extracten van tumoren op roode bloedcellen. MlCHELI en DONATI8) toonden op deze wijze het eerst de aanwezigheid van haemolytische stoffen bij het carcinoom aan, hetgeen later door KliLLMANN °)

') Medical Record, 1909.

2) Medical Record, 1909.

3) D. Medizin. Wochenschrift, 1909.

4) Compt. rend. Soc. de Biologie, T. 67.

5) München. Medizin. Wochenschrift, 1911.

6) Zeitschr. f. exper. Pathol. u. Therapie, Bd. 10, 1912.

7) John Hopkins Hospital Bulletin, 1910.

8) Rif. Medica 1903, gecit. v. Albu, I. c.

') Berlin. klin. Wochenschrift, 1904.

Sluiten