Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EHRMANN en ERHENREICH1) konden bij medullaire carcinomen steeds occult bloed aantoonen, bij den scirrhus was dit niet altijd mogelijk.

Het groote belang van deze onderzoekingsmethode springt door dit overzicht duidelijk in het oog, en dit te meer, wanneer men, zooals o.a. door SCHLECHT is gebeurd, dit symptoom vergelijkt in de veelvuldigheid van zijn voorkomen met de andere voor carcinomen geldende kenteekenen (vermagering, achylie, voelbare tumor, Röntgenonderzoek). Zij allen blijken minder geregeld aangetroffen te worden.

De frequentie van deze bloedinkjes moet worden geweten aan het vroegtijdig ulcereeren van den tumor. Blijkt dit van de meeste gezwellen bij obductie duidelijk, van grooter beteekenis zijn de waarnemingen van VERSI}2), die een 12-tal zeer kleine tumoren (niet grooter dan 11 m.M. in doorsnee), als toevallige vondst bij verschillende secties ontdekt, kon onderzoeken. Bij vier hiervan bleek reeds door macroscopische beschouwing, dat zij ulcereerden; van de andere werd dit door nader microscopisch onderzoek duidelijk. In dit verband mag ook nog aan het door KONJETZNY3) geconstateerde feit herinnerd worden, dat aan den rand van carcinomen groote, zeer oppervlakkig liggende capillairen voorkomen, die gemakkelijk tot bloedingen aanleiding kunnen geven.

Dat nu toch nog enkele, door operatie of obductie vastgestelde gevallen van carcinoom voorkomen, waarbij het chemisch onderzoek op bloed in de faeces negatief uitvalt, kan verschillende oorzaken hebben. Vooreerst heeft de gevoeligheid zoowel van de guajac-, als van de benzidineproef, zekere grenzen, waardoor zéér geringe hoeveelheden bloed ons kunnen ontgaan. Phenolphthaleïne is omgekeerd een zóó gevoelige indicator, dat behalve bloed taltijke andere stoffen,

') Mitteilungen a. d. Qrenzgebieten, Bd. 27, 1914.

2) Arbeiten a. d. pathol. Institut Leipzig, Bd. I, gecit. v. Lutz, 1. c.

3) Centralbiatt f. Chirurgie, 1914.

Sluiten