Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan worden, een ervaring, die ook reeds door andere onderzoekers wordt vermeld.

Een vergelijking van de getallen van beide tabellen brengt aan het licht, dat in het algemeen de Fe-coëfficiënt bij carcinoompatienten niet hooger, eerder iets lager is dan bij niet-lijders aan maligne tumoren. Een duidelijke uitzondering hierop vormt het carcinoma oesophagi. In de onderzochte gevallen blijkt het Fe- sterk ten opzichte van het N-gehalte verhoogd. Dat bloedarmoede aan dit feit schuldig zou zijn, is niet aannemelijk. Zooals bekend is, wordt deze bij slokdarmkanker nauwelijks aangetroffen, eerder vindt men het tegendeel door indikking van het bloed. Het komt mij dan ook waarschijnlijker voor, dat wij deze hooge cijfers moeten toeschrijven aan den hongertoestand van de patiënten, waarbij de Fe-uitvoer niet gelijken tred houdt met het eiwitverlies van het lichaam. Het verschijnsel herinnert daardoor aan hetgeen door MüLLER, GOTTLIEB e. a. bij hongerdieren is waargenomen. Een onderzoek van organen, stammende van personen, overleden tengevolge van oesophagusstricturenniet berustend op malignen tumor of van goedaardige pylorusstenosen, zou in dezen waardevolle gegevens kunnen verschaffen. Dergelijk materiaal heeft mij echter niet ten dienste gestaan.

De overige voorbeelden met hoogere getallen, die in de carcinoomtabel aangetroffen worden, vertoonen alle enkele complicaties. Patiënt V. was zeer sterk vermagerd: lichaamsgewicht 41 K.G. De patiënt B. leed aan een endocarditis. De beoordeeling dezer gevallen wordt hierdoor onzeker.

De niet verhoogde Fe-coëfficiënt bij de andere carcinomen maakt vooreerst duidelijk, dat van siderosis van lever en milt niet gesproken kan worden. Wij moeten daarbij speciaal letten op de tumoren, niet in de huid of de slijmvliezen gezeteld, waarvan een viertal in de tabel voorkomt. Bij hen toch allereerst zou, indien de bloedarmoede het gevolg was

Sluiten