Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stond een sterke anaemie, wisselende van 1.482000 tot 2.522000 roode bloedlichaampjes.

Het is mij niet gelukt in de door mij onderzochte bloedpraeparaten dikwijls deze cellen aan te treffen. In de volgende gevallen werden zij gezien :

1. Ca vesicae urinariae : Hb. gehalte 35%, r. bl. 1. 2.148000.

Sporadische polychromatophile erythrocyten.

2. Ca ventriculi: Hb. gehalte 46°/0, r. bl. 1. 2.800000.

Lichte polychromatophilie.

3. Ca ventriculi: Hb. gehalte 51 °/0, r. bl. 1. 2.750000.

Eenige polychromatophilie.

4. Ca ventriculi: Hb, gehalte 62°/0, r. bl. 1. 3.520000.

Eenige polychromatophilie.

5. Ca ventriculi: Hb. gehalte 62°/o> r bl. 1. 4.010000.

Lichte polychromatophilie. Onder 45 gevallen werd 5 keer polychromatophilie waargenomen, hetgeen met de resultaten van het onderzoek van BARADULIN overeenstemt.

D. Basophile korreling.

Denzelfden strijd over de beteekenis als bij de polychromasie vinden wij bij deze eigenschap der erythrocyten terug. Men verstaat daaronder, zooals bekend is, de bij kleuring met basische stoffen zichtbaar wordende korreling der gefixeerde roode bloedlichaampjes: met methyleenblauw blauw, met Giemsa blauwzwart. Over de vraag, of hierin een bewijs van degeneratie dan wel van regeneratie gezien moet worden, is een groot aantal strijdschriften verschenen, vooral sinds de ontdekking van dit symptoom bij lijders aan loodvergiftiging (V. EMBDEN 2). Ook hier is de meerderheid der onderzoekers tot de conclusie gekomen, dat de basophile korreling

') Tijdschr. v. Geneeskunde, 1904.

Sluiten