Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigenschappen gevormd worden, en door de resorptie van stoffen van uit het darmkanaal dit evenwicht voortdurend dreigt verstoord te worden, moeten er ook voortdurend factoren in het spel zijn, die dit tegengaan. Reeds het bloed op zich zelf in vitro verzet zich sterk tegen eene verandering van de reactie.

R. Höber1) geeft naar Friedenthal op, dat men aan bloedserum 40—70 maal zooveel natronloog moet toevoegen als aan zuiver water om de gelijke roode kleur met phenolphthaleïne te krijgen en zelfs 327 maal zooveel zoutzuur voor dezelfde kleur met methyloranje. Moore en Wilson titreerden serum tot het omslagpunt van phenolphthaleïne en daarna tot dat van methyloranje; voor de laatste titratie was zooveel zuur noodig, als overeenkwam met een normaliteit van het serum aan alkali van 0,14 tot 0,16 normaal. Buiten deze grenzen, de „neutral zone", veranderde de reactie echter sterker door het toevoegen van zuur of alkali. Hieruit meen en de schrijvers te moeten besluiten, dat het vermogen van de eiwitstoffen van het bloedserum om alkali of zuur te binden, ook door dit getal wordt aangegeven, totaal zou dus 0,15 norm. natriumhydroxyde bijv. kunnen worden gebonden. Nu komt de osmotische druk van het serum van zoogdieren overeen met die van een 0,9 °/o of 0,15 norm. natriumchloride-oplossing. Door deze overeenkomst van getallen werden Moore en A. Douglas Big land2) getroffen. Zij meenden, dat het getal 0,15 N. ook hier zou samenhangen met het genoemde vermogen der eiwitstoffen om te binden

i) Physikalische Chemie der Zelle und der Gewebe, Auflage,

S. 187, (1914).

J) The biochem. Journal, Vol. V, p. 32, (1911).

Sluiten