Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alkalischer; is echter veel haemoglobine aanwezig, dan vinden wij het bloed minder alkalisch, dan wij bij een laag haemoglobine-gehalte zouden gevonden hebben, m.a.w. het resultaat van Arvo Ylppö is dus het gevolg van het verwaarloozen van koolzuur-spanning en haemoglobine-gehalte.

De stoffen met reactie-reguleerende eigenschappen zijn zwakke zuren of basen, d.w.z. de moleculen zijn slechts voor een klein gedeelte in hunne ionen gesplitst. Wordt nu bijv. bij een zwak zuur de actueele reactie gewijzigd door het toevoegen van loog, worden dus aanwezige waterstofionen volgens de vergelijking H+ + OH— -» H,0 weggenomen, dan is het evenwicht tusschen de gedissocieerde en de ongedissociëerde moleculen van het zuur verstoord en dadelijk worden ongedissociëerde moleculen in hunne ionen gesplitst om het evenwicht volgens de wet der massawerkingen te herstellen ; zoo worden nieuwe waterstofionen gevormd. De zwakke zuren hebben dus in oplossing een depot, waaruit weggenomen waterstofionen grootendeels kunnen worden aangevuld.

E. d'Agostino1) heeft mathematisch afgeleid, welke dissociatie-constante zwakke zuren en basen zouden moeten hebben, opdat zij het grootste vermogen hebben eene reactie vast te leggen. Zal een stof, een zwak zuur of een zwakke base, de sterkst reguleerende werking voor een bepaald gebied van reactie, bijv. tusschen de grenzen [H^~] = a en [H+] = b, hebben, dan moet de dissociatie-constante gelijk zijn aan \/ ab. Gaat het er om, het neutrale punt zooveel mogelijk vast te leggen.

') Arch. internation. de physiologie, Vol. XI, p. 38, (1911).

Sluiten