Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

l het dier in den godsdienst

DE wereld van ons, modernen en stadsbewoners, is opgebouwd uit huizen en gebouwen; rondom ons zien we fietsen en auto's, trams en heimachines. De dieren en de planten, onze broeders en zusters, zijn verkeringen geworden van deze stugge buitenwereld.

zijn een bonte, een belangwekkende, toegift, ze boeien ons, omdat ze buiten het in elkaar sluitend geheel staan.

t?0 '°°Pen n°g v"j> de honden en katten, en de akken van de boomen groeien in een richting, die Hn' Vj°°n"t n*et bepalen kunnen met passer en

Een Fransch spreekwoord zegt: „Chaque chien Porte sa queue a sa fantaisie", iedere hond draagt zijn staart zooals hem dat lust. Dat geldt voor heel e lerenwereld. Zoo zijn de dieren ons lief geworen als de vrijen, de bohémiens, de romantische ezens, die we graag gaslaan om te ontsnappen aan ns ze 1, gevangen als we zijn tusschen onze eigen mac ines en onze door ons zelf geschapen organisaties.

Vroeger was dit anders. En waar wilde volkeren wonen en het vroeger tot in het heden bewaard Weef, leeft de mensch nog broederlijk te zaam met Planten en dieren. Voor hen waren de dieren de ^.ehjksche medeschepselen, die niet wezenlijk verschilden van menschen. Zielen waarden op aarde, 11 ae ziel huisde nu eens in een mensch om later

Sluiten