Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een boom, een krokodil, een kat, een beek te bewonen.

Voordat men dieren ging verafgoden en boven menschen plaatste, woonde men met hen saam in eenvoud en was niet bang voor donkere machten, die in hen zouden kunnen huizen. Naïeve oogen van wilde volkeren zagen een effen wereld, een kalm naast elkander van wezens, tusschen wie de zielen stuivertje-wisselen speelden.

Het wordt anders. De mensch, die zichzelf gaat beschouwen, merkt, dat hij niet van zichzelf is, dat hij en wat er naast hem leeft bestuurd en gericht wordt. Hij wil weten, wie dan de meester zijn kan, en gaat op zoek naar een god. Hij beseft ook, dat hij niet afzonderlijk zoo plotseling op aarde is gezet, maar dat hij de laatste van een geslacht is. Hij ontdekt de stam, het achterwaarts verschiet, de geschiedenis. Nu wil hij de hoogere macht gaan vereeren, die beslissen kan, en ook de voorouders, die hem op de aarde brachten. Het besturende en het voorafgaande vereenzelvigt hij. Zijn wat angstige oogen zoeken rond en vallen het eerst op hen, die samen met hen leefden, maar plotseling geheimzinnig en gesloten schijnen, een andere taal spreken en andere gebaren hebben: op de dieren, de anderen, die zichtbaar zijn.

In die sprekende wezens, die zich niet verstaanbaar willen maken, zullen wel de voorouders voortleven. Waarom zouden de dieren anders rondom hen zijn? In hen zullen wel de krachten huizen, die de menschen in zichzelf niet hebben kunnen vinden en die toch het leven besturen.

De mensch geeft zich het eerst en met ontzetting rekenschap van het allergrootste wat rondom

Sluiten