Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De Wijze vangt met list de menigte der dwazen, zooals de apenvader door zijn wijsheid de apenmenigte wist te verschalken. Zonder naam of aard der zaak te veranderen, kon hij maken dat ze toornig Werden of zich verheugden."

Nog een ander voorbeeld: Een fabel van Aesopus.

Een leeuwerik, die in een knip gevangen zat, klaagde: „Wee mij, ik arme ongelukkige vogel! Geld noch goud noch zilver heb ik gestolen. Een klein tarwe-korreltje, waarin ik honger had, zal niijn dood veroorzaken."

In geen dezer vertellingen is de fabel ook maar in eeniger mate om der wille van de dierbeschrijving ontstaan. In de Chineesche zou men de apen door welk ander dier ook kunnen vervangen, in de laatste de leeuwerik door welke andere vogel ook.

Vergelijken we beide vertellingen met de twee fabels van La Fontaine „De aap en de luipaard" en „De leeuwerik en zijn jongen", dan valt het ons op, dat, hoewel ook La Fontaine de fabels gebruikt ter wille van beleering of ter typeering der menschen, hun maatschappij, hun karakters, het niet toevallig is, dat hij als personen van zijn fabel dieren koos. Nu ja, ik geef toe, dat ook hij eenvoudig de stof overnam van Aesopus, den Griek en Phaedrus den Latijn. Maar wat heeft hij geen genoegen in 't beschrijven van het uiterlijk en het doen en laten, in 't oproepen van de natuurlijke sfeer der dieren? Wanneer hij in zijn fabel „De aap en de luipaard" den aap als den met geest pronkenden tegenover den luipaard als den niets dan schoongekleeden stelt, geniet hij zelf van zijn aap, dien hij, onmiddellijk de juiste travesti kiezend, als een charlatan voorstelt:

Sluiten