Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maken. Wil men boomen, steenen, bergen of rivieren laten leven, werkelijk van elkander onderscheiden, in verhouding tot elkander laten staan, dan moet men ze vermenschelijken. Om Rafaël en Michaël, Gabriël en Uriël van elkander te onderscheiden, ze persoonlijkheid, dus waarheid te geven, maakte men ze tot wezens, die dan door een functie, die ook menschen konden uitoefenen, van elkaar te onderscheiden waren. Het godsbegrip van Joden, Christenen of Muzelmannen verkeert steeds in een schommelenden toestand. We mogen God niet vermenschelijken, om het begrip van het oneindige en onbepaalbare zuiver te bewaren. Maar omdat we God willen liefhebben, er een vader of een koning, een beslisser, een bestuurder, een leider van willen maken, moeten we ondanks onszelf en om der wille van onze voorstellingsbehoefte God toch ook humaniseeren. W^e doen dit al, wanneer we Hem toeschrijven menschelijke eigenschappen tot in het oneindige te bezitten: De Goede, de Alwijze, enz. Kortom, in den hooge, in den lage kunnen we slechts omgaan met menschen; slechts wezens, tusschen wie passioneele verhoudingen bestaan, boeien ons en zijn voor onze ziel als afzonderlijken te

onderscheiden.

Maar nu weer kunnen we waarnemen, dat die vermenschelijking van hen, die niet menschen zijn, niet slechts een noodzakelijkheid voor ons is, maar ook een lust, een genoegen. Wij menschen overwinnen graag, we zien gaarne, dat door onze kracht het onmogelijke mogelijk wordt. Als wij wat oude onmogelijkheid tot nieuwe mogelijkheid omgevormd hebben, voelen we, dat we toch nog vrij zijn en minder door natuurlijke wetten geketend dan wij dachten. Hoe zouden we dan niet gaarne

Sluiten