Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meening, dat er weinig wezenlijk onderscheid in de gemoedsbewegingen van dier en mensch bestaat. ,,Ik ben door langen omgang met alle mogelijke schepselen vast ervan overtuigd, dat dieren een taal en een ziel hebben. Daarom laat ik ze in mijn boeken rustig de taal spreken, die we allen verstaan." Salten vindt ook, dat het zedelijk niet anders dan gunstig werken kan, wanneer men in dieren menschwaardige wezens ziet, want hij voegt aan dit oordeel toe: ,,En ik herhaal hier den zin, die als motto boven mijn „Fünfzehn Hasen" staat: „Tracht maar altijd het dier te vermenschelijken, daardoor verhindert ge de menschen te verdierlijken." In Salten's boek wordt ook al weer niet zooals in het oude dieren-epos, een soort, hier dus de ree, vermenschelijkt volgens den indruk, die zijn leven op ons maakt, maar verschillende reeën komen in geïndividualiseerden vorm in het werkje voor, die alle echte menschelijke verlangens en ondeugden hebben, nieuwsgierigheid, jalousie, ijdelheid, lichtgeraaktheid, maar die toch ondanks deze eigenschappen het leven lijden en het lot ondergaan, dat in de natuur de ree beschoren is.

Ook moge nog even vermeld worden dat de interessante mensch en schrijver Alphonse de Toussenel (1803-1885), een man uit de kringen der utopistische socialisten, van dat wat hij de „analogie" noemde een wetenschap maakte en in ieder diersoort de pendant zag van een menschelijk sociaal- of karaktertype. Zelfs nu nog valt uit Toussenel's zoölogie-van-een dolleman (men leze zijn: ,,La vie des bêtes, le monde des oiseaux") veel te leeren. Ook de „analogie", hoe verwerpelijk men haar vinden kan, heeft zijn methodische waarde en kan ons soms een goed begrip van een dier geven. Het zal

Sluiten