Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeilijk vallen in de geheele belletristische vermenselijkende dierletterkunde een tableau te vinden, waaruit de dieren zoo in de gedaante van edelen, boeven, roovers, slachtoffers, bankiers, proletariërs, egoïsten, altruïsten, behulpzamen, onverschilligen opstijgen als uit deze werken, die toch ook een zekere wetenschappelijkheid willen hebben, die ook met de dierlijke vormenleer en anatomie rekening houden, maar waarin de analogie met haar wetten, de weerspiegeling van het menschenleven in het dierenleven, als de kroon der zoölogie, als de goddelijke dierkunde wordt uitgeroepen. Het werk leert, dat dolheid soms zoo dol zijn kan, dat het grootsch wordt en dat zelfs in een grandiose hoogbouwende dwaasheid een deel der waarheid leeft. Want blijft het niet een feit, dat naar den zin een dierlijke parasiet bijv. net zoo leeft en hetzelfde is als een menschelijke parasiet, en dat een wezen niet of ten minste niet grootendeels bepaald wordt door wat hij van zich zelf weet en bewust doet, maar door wat hij doet en in welke verhouding hij tot de gemeenschappelijke aardebevolking of maatschappij staat. Zoo is er zin in Toussenel's onzinnig schelden op roofvogels bijvoorbeeld, en zoo is zijn vermenschelijkende dierpsychologie een andere dan de wetenschappelijke, maar toch de vertolking van een bestaand verhoudingsstelsel.

Rostand's Chantecler, dat de „nocturnes", de uilen, als booze geesten op laat treden, voert nu tot een korte beschouwing over een anti-realistisch dieren-tableau, dat door de letterkunde steeds hernieuwd wordt en dat eeuwen lang ook de natuurlijke-historie zelf niet vreemd was: nuttige of godsdieren, schadelijke of satansdieren.

Sluiten