Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

libelle, die twee zoo gescheiden geesten van den haard en van den zomerschen vijver, komen mij in den zin. Misschien is er geen wereld, die onze kennis der vormenmogelijkheid zoo verrijkt als juist die der insecten. Soldateske ontzagwekkendheid, industriëele doelmatigheid, sierlijke verhevenheid, wij leeren ze bij de insecten kennen in vormen, die we ons niet hadden kunnen droomen, omdat de elementen ervan niet in onze wereld der grooter lichaamsafmetingen en der zoogdierensuprematie voorkomt.

De groote letterkundige insecten-boeken van Maeterlinck, het bekoorlijke sprookverhaal „Die Biene Maya" van Waldemar Bonsels, Fabre's wetenschappelijk-literaire werken hebben ons in het insect, dat Catullus reeds bezong, een der schoonste en der ons verste natuurvormen doen erkennen.

Wij kunnen in stille bewondering het dier aanschouwen, zonder ons daarom in zijn eigenschappen, reëele en legendarische te verdiepen. Het is genoeg te mogen zien. Wij verlangen niet meer goed en af te keuren en wenschen ook niet te weten.

Li-tai-po, een Chineesche dichter, dien Klabund vertaalde, stond aan den oever van een meer en zag de zilverreiger.

In 't herfstgetij kringt eenzaam over grauwe vijver, De veeren sneeuw-bestoven, een oude zilverreiger.

Ik sta alleen aan 's vijvers strand,

De hand boven het oog, staar zwijgend over 't land.

Sluiten