Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken van de boomen naar beneden zitten te gluren. Hun gewoonten zijn niet de onze. Zij hebben geen aanvoeders. Zij hebben geen herinneringsvermogen. Zij snoeven en kakelen maar en beweren, dat zij een groot volk zijn, dat groote dingen zal gaan doen in den Dsjungel. Maar dan hoeft er slechts een noot te vallen, of ze beginnen als bezetenen te lachen en al hun groote plannen zijn weer totaal vergeten. Wij van den Dsjungel hebben niets met ben uitstaande. Wij drinken niet waar de apen drinken; wij loopen niet waar de apen loopen; wij jagen niet waar zij jagen; wij sterven niet waar zij sterven. Heb je ooit vóór vandaag van de Bandar-log hooren spreken?"

„Neen", zei Mowgli fluisterend, want het woud was geheimzinnig stil, nu Baloe ophield met spreken.

„Die van den Dsjungel hebben ze uit hun mond en uit hun gedachten gebannen. Ze zijn heel groot in aantal, boosaardig, vuil, schaamteloos en zij verlangen, als ze tenminste een bepaald verlangen kunnen hebben, door de Dsjungelbewoners te worden opgemerkt. Maar wij willen hen niet opmerken, zelfs niet als ze noten en vuil op onze hoofden gooien."

Nauwelijks had hij deze woorden gezegd, of een hagelbui van noten en takjes kletterden uit de boomen naar beneden en zij hoorden heesch gelach en gehuil en een wild springen tusschen de dunne takken, hoog boven hen in de lucht.

,,Het Apen-Volk wordt niet geduld onder de Dsjungelbevolking", zei Baloe, „Denk daaraan!"

„Niet geduld", herhaalde Bagheera, „maar ik vind het verkeerd, dat Baloe je niet voor hen gewaarschuwd heeft."

Sluiten