Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en die dan ook den eenigen ingang tot hun woning vormde. De muren waren verdeeld in vakken, met marmeren lofwerk versierd — prachtig, melk-wit, opengewerkt marmer, bezet met agaten en kornalijnsteenen en jaspis en lazuursteenen, en als de maan opkwam achter den hemel, scheen zij door de open wanden naar binnen, schaduw werpend op de vloer, als zwart fluweelen borduurwerk. Al was zijn lichaam ook pijnlijk en al voelde hij zich slaperig en hongerig, Mowgli kon toch niet nalaten te lachen, wanneer die van de Bandat-log hem, met z'n twintigen tegelijk, vertelden, hoe groot en hoe verstandig, hoe sterk en hoe edelmoedig zij waren en hoe dwaas hij was, om van hen te willen wegloopen.

„Wij zijn groot. Wij zijn vrij. Wij zijn onovertrefbaar. Wij zijn het meest grootsche volk van den Dsjungel! Wij allemaal denken er zoo over en dus moet het wel waar zijn", schreeuwden zij. „Omdat je ons voor het eerst hoort en opdat je onze woorden kan overbrengen naar de Dsjungelvolkeren, en deze voortaan rekening met ons zullen houden, willen we je alles omtrent onze eigen uitmuntende hoedanigheden vertellen."

Mowgli maakte geen tegenwerpingen en honderde en honderde apen verzamelden zich op het terras om te luisteren naar hun eigen sprekers, die den lof zongen van de Bandar-log. En zoodra een der sprekers een oogenblik zweeg, om adem te scheppen, riepen ze allemaal door elkaar: „Dat is volkomen waar; dat zeggen we allemaal." Mowgli knikte en knipoogde en zei „ja", wanneer zij hem iets vroegen, en in zijn hoofd zoemde het van het lawaai. „Het schijnt wel, dat Tabaqui de jakhals, ze allemaal heeft gebeten", zei hij bij zichzelf, „en

Sluiten