Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HERMANN LÖNS: DE EGEL BIJ DE HEG

BUITEN 't dorp, naar den kant van de hei, ligt bij 't moeraswatertje een eikenboschje. Daar staan een vijftig grauwe huizen, die ten halve verscholen gaan achter de breede takken van de oude eiken. Het zijn de schaapskooien en de oude schuren van de boeren, sierlooze in vakken verdeelde bouwwerken, met stroo bedekt, waarvan de wanden gevormd worden door grauw vlechtwerk en gele leem-kalk, en wier grondbalken op dikke oeroude steenblokken rusten.

Daar woont ook de schaapherder. Een machtige muur van hoeksteenblokken met mos bedekt en overwoekerd door engelzoet, klokjesbloem en klimop. waarachter een geweldig dichte haag van jeneverstruiken, vlier, hulst en wilde-pruimeboomen zich verheft, grenst de woningen af van de stallen. Hier huizen allerlei dieren; tusschen de strooien daken broeden roodstaartjes en kwikstaartjes, ook ransuilen en een paar steenuiltjes huizen er; onder de schuren hebben spitsmuis en boschmuis het goed, en met hen padden en ringslangen, wezels en bunzings. Ook egels kan men hier altijd vinden. De herder laat ze maar hun gang gaan. 't Is waar, dat ze hem eens af en toe een ei of een kuiken wegsleepen, maar in ruil hiervan zorgen ze er ook voor, dat de muizen niet te veel toenemen. En zoo zwerven ze dan naar hun aard, zonder angst, reeds 's middags in den tuin of op het erf of onder de eiken, en Wasser en Lord, de twee oude honden van den herder bekommeren zich niet meer om ze; aleen Widu, de jonge hond is nog wat dwaas en

Sluiten