Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nadat hij zijn vleugels voor 't werk heeft klaar gerekt, opmaakt om een eerste vliegtocht te ondernemen, verdwijnt achter de spitse tanden, 't Insect wordt opgevolgd door een akkerslak; van een dikke zwarte slak waar de egel tegenop botst, wend hij zich echter met afschuw af. Die ruikt walgelijk en smaakt afgrijselijk. Maar het luide, rollende gefluit daar in het veenige zand bij den beekoever lokt hem aan. Een vlug trippelen, een stevige stoot, en de aardkrekel heeft er het leven bij ingeschoten. En verder gaat het langs den oever van de beek. Halt! Hier loopt de grond wat op. Een mol misschien? Dat zou geen slechte vangst zijn. Of misschien zelfs een woelmuis? Dat ware nog beter. Heel voorzichtig schuifelt hij naar voren. Hij moet lang loeren voor hij weer beweging in de aarde waarneemt, maar eindelijk kan hij er op los gaan. Hij nam zijn sprong te kort. Met een plotslinge zwaai laat de zwarte aard-omwoelster zich in de beek vallen, men hoort den plom. Na eenige oogenblikken, waarin de egel overdenkt wat hij nu zal gaan doen, richt hij zijn schreden weer naar de eiken.

Hier een mestvlieg, daar een rups, elders een St.-Janskever, en weer elders een regenworm, dat wordt zoo onder de hand opgepeuzeld. Maar wat is dat daar, dat door het gras sluipt? De egel steekt zijn koppennen op, hij spitst den neus, bolt zich half op en trippelt op den buit af. Nu is hij erbij. Tssts, klinkt het, en een, twee, drie keer stoot de halfvolwassen adder tegen zijn stekelpantser. Nog een vierde keer en dan is het uit. De egel heeft hem omvergeloopen, hem met zijn kopstekels tegen den grond gepriemd, met de tanden achter den kop gepakt en terwijl het adderlijf zich wild kronkelt, kauwt hij eerst den kop fijn en slikt die op, dan

Sluiten