Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op welke wijze hij zich zou kunnen geliefd maken, het wijfje altijd bereid om af te weren.

Tot nu toe was de egel altijd van rechts naar links om zijn uitverkorene getrippeld; nu probeert hij het in omgekeerde richting. Zoo moet ook het wijfje wel van links naar rechts in een kring draaien. Als hij tien of twaalfmaal om haar heen heeft geloopen, wordt hij op een plompe manier vertrouwelijk. Dan geeft ze hem een geduchten klap. Uit het veld geslagen blijft hij zitten en denkt eens over het geval na en ook zij blijft zitten. Ze kijken elkaar aan met hun kleine zwarte oogen, neus aan neus, tot hij weer moed vat en opnieuw om haar heen trippelt, nu van links naar rechts, na den eersten klap weer van rechts naar links, dan weer omgekeerd en zoo voorts.

Elf uur slaat de torenklok; elfmaal huilt de hoorn van den nachtwacht. Nog altijd scharrelen en sissen de beide gestekelde gelieven om elkaar. Het wordt middernacht; de eigenaardige caroussel

nog altijd in gang. Eén uur slaat het; nog is hij niet moede om naar haar gunsten te dingen, en ook haar preutschheid houdt nog stand. Het slaat twee uur; nog altijd trippelt hij hijgend en blazend om haar heen, nu eens van rechts dan weer van links, en na iederen klap, dien ze hem toedient, houdt hij even op en overlegt of het niet beter zou zijn haar van den anderen kant nader te komen. Een half uur blijft de jachtopziener bij het paar staan, lacht en schudt het hoofd, totdat licht in het Oosten hem zegt, dat het tijd voor hem wordt naar het veen te gaan. Het roodstaart je zingt al van den nok, de ransuil zoekt zijn hol in het geveltje, en egel en zijn wijfje dansen nog steeds hun wonderbaarlijke ronden. Pas wanneer de merel

Sluiten