Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rustig en vanzelfsprekend, alsof hij altijd tot den troep behoord had.

De zon steeg, de dauw was reeds verdampt, leeuweriken kwinkeleerden, kwartels riepen, vinken sloegen. De kleine trappen aasden vooral op sprinkhanen, de ouderen zochten zaden en grashalmen. In de lucht was een valk aan het bidden,1) en zwenkte daarna Zuidwaarts. Een koppel wilde eenden streek met korte, fluitende vleugelslagen over de vlakte naar het moeras. Verder lag deze verlaten, aan den horizon was niets te bespeuren, zelfs geen grazende paarden.

Niettegenstaande de eentonige rust bepaalde de nieuweling zich niet tot voedsel zoeken, maar begon voor wachter te spelen. Hij liep trotsch heen en weer, speurde onafgebroken de vlakte af, rekte zich hoog uit en spiedde scherp een bepaalden kant uit.

De oude gent keek verbaasd naar den vreemdeling. Deze trad in zijn rechten, probeerde zijn positie bij de hennen te ondermijnen, maar de oude haan was niet jaloersch, hij was zich zijn kracht te zeer bewust, en deed minachtend als een andere haan de aanmatiging had hem tot den strijd uit te dagen.

In lichte golvingen strekte de vlakte zich uit. De grond was omgewoeld door de veldmuizen, die voor in haar holen zaten en haar pelsjes door de zon lieten stoven. Kwamen de trappen dichter bij, dan schoten ze naar binnen. De oude trap had het nog meer voorzien op de hamsters dan op de veldmuizen. Deze waren wel weerbaarder, alleen jonge hamsters lieten zich verschalken en waren niet

*) Stilstaan in de lucht, al klapwiekend.

Sluiten