Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De troep leefde, vocht en voedde zich onder het loopen; alleen om te slapen en eenige uren te rusten werd halt gehouden. Tijdens dezen door niets te stuiten trek naar het Zuiden ging de rechtervleugel eens op een dag over een steil heuveltje, waarvan Bruine Stier en zijn kudde juist den top bereikt hadden, toen de optrekkende kolonnes halt hielden voor de voormiddag-rust. Het was een uitzichtpunt, juist zooals Bruine Stier gaarne bezette. Hij stond daar te snuiven met opengespalkte, natte neusgaten en zocht den horizon af naar teekenen van gevaar. Zijn speuren was vergeefsch, als steeds; maar juist achter hem en dichter bij de hoofdmacht van den troep zag hij iets, dat zijn zenuwen deed trillen van woede. Een oude stier werd uit een naburige kudde gedreven, ontzet uit zijn heerschende Positie en afschuwelijk ten bloede opengereten door een jongeren en sterkeren mededinger. Wankelend door zijn wonden en plotseling bevangen door de vrees voor de eenzaamheid trachtte hij zich in te dringen in de kudde die achter hem aankwam. Hij werd er meedoogenloos uitgejaagd. Van de eene kudde naar de andere wankelde hij, steeds ontvangen door een kring van naar beneden gerichte horens en woeste oogen; en zoo tuimelde hij steeds Verder achteruit naar den eenzamen dood, waar hij ^et volkomen onverschilligheid zoo velen zijner volgelingen had heengezonden, maar waarvan hij nooit geloofd had dat het eens hem zelf zou gelden. Dit meelijwekkende schouwspel liet Bruine Stier natuurlijk koud. Hij zag het nauwelijks, nog minder trok hij er zich iets van aan. Als hij in staat was geweest zijn onverschillige gedachten onder w°orden te brengen, zou hij ze ongeveer op die wijze geuit hebben: „Komt 'm toe, omdat hij 't

Sluiten