Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H. E. KUYLMAN: EEN NACHTELIJKE TWEEKAMP

DE zon heeft haar dagtaak volbracht; laag aan den Westerhemel schemert nog na haar gouden gloed en in de buiging van het uitspansel vloeit deze tezamen met de diep-blauwe tint van den nacht.

Geboren tusschen riet en moerasplanten, vrucht van de zonnehitte des daags en de afkoeling van den nacht, stijgt het nevelenheir uit de veenplassen en bedekt als een blanke, soepele deken, de zachte golvingen der Veluwe-bosschen, die als een sterke verdedigingslinie het dieren- en plantenleven der heide insluiten.

In het Oosten, achter de donkere silhouetten van het geboomte wordt het lichter. Het indigo van den nacht verbleekt er statig, in volle majesteit stijgt de maan als een vuurroode bol boven de duistere omlijning der sparren.

Zacht, met bijna onhoorbaren tred, treedt het edelhert uit het dichte struikgewas te voorschijn. De fijne kop torst het ontzagwekkende gewei, dat in rhythmische cadans heen en weer beweegt als hield het maat met den lichten stap der teergevormde beenen.

De ovaalvormige bruine oogen zien trouwhartig rond en de ooren, die steeds in beweging zijn, vangen elk geluid op.

Hoe teer en fijn de pooten ook schijnen, zijn zij toch in staat om het forsche lichaam te dragen.

De rechte rug en de stevig gespierde flanken toonen hoe sterk dit dier moet zijn en de zachte

Wij en de Dieren 14

Sluiten