Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denen en ingewanden drukte; — dat bosch, waar sedert eeuwen de Afrikaansche olifanten overvloedig voedsel vinden.

In 't bijzonder 's avonds, als de winkels gesloten waren en de blanke mannen de Societeit verlieten om te gaan eten, lokte het bosch Poupah aan.

De wind, die van het binnenland kwam, streelde zijn ooren en sprak tot hem. Niet de naam „Poupah" werd hem weer gegeven in die taal, die de Oostenwind meebracht. Wat hij hoorde waren ook niet de grove benamingen, die de mannen, welke hem het brandende water schonken, hem gaven, zooals „oliezak" of „sproeiwagen" en andere die van even weinig smaak getuigden. Hij hoorde een onbestemd gefluister van namen, een waarachtig „roepen", dat hem machtig aangreep en dat maakte, dat men hem bij het vallen van den nacht met opgeheven slurf in zijn verblijf kon zien rondloopen als een paard aan den halster.

Andere keeren volgde diepe zwaarmoedigheid op zijn dronkenschap en doemde hem tot onbeweeglijkheid. Dan zou men hebben kunnen denken, dat hij de openbaring van zijn waar bestaan wachtte en inwendige stemmen hem zouden leiden, maar Poupah, die geen richtsnoer meer bezat duidde die verschillende roepstemmen verkeerd. De dag bracht den zeewind weer mee en de bonte menschen menigte met al hun drukte. De Begeerte verscheen weer op haar beurt, verjoeg den Roep en dreef het dier naar de huizen die met pannen of gegolfd plaatijzer gedekt waren.

Lusteloos dwaalde Poupah dan langs de tuinen, plukte een bloem, die hij weer weggooide, schoor een omheining kaal en rukte een stengel uit, die

Sluiten