Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zei Levantini, „laten we toch naar buiten gaan."

De oogen van Jean waren smeekend gebleven en keken van Dr. Loiseau naar Levantini en van den grootvader naar zijn kleindochtertje. „Nu kun je wel gaan, Jean", zei minzaam Levantini, „we gaan nog een wandelingetje langs de zee maken. Daar ruikt 't frisscher dan in jouw apenkooi." Er was zooveel verlangen, zooveel vraag en weifelend aandringen in den ouden oppasser, dat Loiseau beschermend zijn hand op Jean's schouder legde. „We zullen wel eens zien, Jean, wat er te doen valt."

Bestuursleden nemen hun taak soms niet al te ernstig op, heele besturen vergaderen wel eens alleen om het genoegen van de vergadering. Maar toch altijd breekt er een oogenblik aan, dat zulk een bestuur de algemeene zucht slaakt: ,,We moesten toch eens iets doen." Dan is er gewoonlijk wel één bestuurslid dat in stilte denkt: „En dat moest nu van mij uitgaan." Kleine plaatsen hebben nog meer gebeurtenissen noodig dan groote en bewoners van kleine plaatsen zijn zeker nog meer erop verzot de held van een gebeurtenis te zijn.

Op dokter Loiseau hadden Jean's smeekbeden een zekeren indruk gemaakt; hij voelde er de rechtvaardigheid van. Als man van gezond verstand aanvaardde hij Jean's oordeel: waar steeds afgaat en niet bij komt „houdt eens alles op". Loiseau completeerde den zin, dien Jean uit nederigheid niet geheel had uitgesproken. Natuurlijk, natuurlijk, daar had de oude oppasser geen ongelijk in, al was hij slechts een eenvoudig man. Er moest eens wat gebeuren, wat gekocht worden. Het raakte de eer van hun bestuur, van den dierentuin zelf,

Sluiten