Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich beschermde; hij was de hoeder van een meerdere, van een koning, dien hij moest trachten te behagen en in wiens gunst hij steeds hooger klimmen wilde.

Was hij niet bij Jacquot, dan meende hij iets te verzuimen. Sprak hij niet tot den aap en bracht hij hem niet van zijn gaven, dan meende hij als een jonge man, die voor het eerst lief heeft, de geliefde te kort te doen. Hij wilde het dier nader komen, hem oog in oog van dichtbij aanstaren en de groote ruige armen van den orang om zich voelen.

In zijn droomen vergezelde hij steeds Jacquot en zat naast den rooden stillen aap op een tak. Beiden keken zij aandachtig naar den boschgrond, waar een man naar hen opzag, die ook op Jean leek. De oude oppasser voelde verwantschap met den aap, die zijn tekort gedane eer, grootheid en belangrijkheid symboliseerde, en wilde dat hun eenheid erkend zou worden.

Eens na zulk een droom stond hij op om zijn eerste ochtendronde te doen. Hij liep naar de serre waar de orang-oetan huisde en bleef nadenkend voor het hok van den aap staan. Zijn oud besef, zijn technische kennis van dieren en hun verzorging kwam één oogenblik, maar dan ook in volle uitgestrektheid terug. Men gaat niet bij volwassen mannelijke mensch-apen en niet bij bavianen in het hok. Toen grinnikte Jean, want hij dacht: ,,Ik doe het toch!" En weg was zijn oude normale geest. Op zijn knieën kroop hij op den podiumrand van de apenkooi. „Jacquot, Jacquot!" Hij richtte zijn lantaarn op het kleine houten nachthok. De aap zat op de kooi, zijn doeken over het lijf getrokken. ,,Mon petit Jacquot!" Jean werd door den afstand tusschen hem en den aap gehyp-

Sluiten