Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had, in de broek-riem. „Kom Jacquot, Jacquot, kalm nu, goeie aap, ouwe jongen!" Jean trachtte het dier gerust te stellen en kwam door zijn eigen woorden weer half in zijn kindsche bewonderingsdoezel.

Toen hoorden ze een angstigen vloek. Pierre, de hulpjongen, was de serre binnengekomen en zag het dreigend gevaar. Zijn angstige roep redde den ouden man, want Jacquot, die geschrokken was, ontkiemde zijn hand en Jean sprong van het podium. Maar de deur van het hok was open en de mensch-aap vrij. De kwieke hulpjongen had de goede ingeving de waterslang ter hand te nemen en de kraan open te zetten. De schelle witte straal deed den orang, die reeds vóór zijn kooideur stond, verschrikt naar binnen schieten. Pierre trok snel de traliedeur toe en met de gerichte spuit in de linkerhand, draaide hij met de rechter de schroeven toe. Hij had het gevaar nog niet bedwongen of de oude Jean stond weer voor de kooi te kijken en grinnikte. ,,Of ie slim is, hè, mijn Jacquot. Hij wil met niemand wat te doen hebben dan met mij!"

Nu begreep Pierre toch dat hij over den ouden Jean Raguenot, die zich zelf en anderen aan gevaar blootstelde, met het Bestuur moest gaan spreken. Van hem was het geen klikken meer; den ouden man mocht niet langer het beheer over den tuin worden gelaten.

Het was den heeren niet onwelkom dat het onderhoud van Pierre, de hulpjongen, met dokter Loiseau hun weer gelegenheid tot een interessante bestuursvergadering verschafte. Dr. Loiseau zei als medicus Jean's kindschheid te kunnen vaststellen

Sluiten