Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Klein Wimke was nu aan de beurt, met een stuk proza uit de vaderlandsche geschiedenis. Hij las 't alles gauw voor, met een hooge ruzieachtige stem en veegde telkens nijdig met zijn rechterarm over den lessenaar, 't Stuk was oneindig lang en er kwam heelemaal geen grappigs in voor, of akeligs. Achter in de zaal begonnen ze te schuifelen en te roepen:

— 't Is veuls te lang!

— Schèi t'r mar uit Wimke!

— 'k Zal d'r wel 'n deil bladzijje van overslaon! riep hij terug en begon een eind verder weer door te lezen. Maar er kwam maar steeds geen eind aan en dan tikte de meester en gaf 't woord aan Bart Hendriks.

't Klonk zoo vreemd, die naam er achter, dien nooit iemand er bij noemde, dat Leneke 't zoo gauw niet begreep, maar nu zag ze hem met bleek gezicht opstaan en naar den lessenaar gaan.

Hij voelde alles om zich heen draaien en zag niets meer, dan al die beenen van jongens en meisjes, die overal naast de stoelen en onder de tafeltjes uitstaken en hem zouden laten vallen ten aanzien van iedereen. Maar nu stond hij al achter den lessenaar en begon met zwakke trillende stem voor te lezen.

Leneke hield den adem in. Als hij eens zou blijven steken! of flauw • vallen!

— Harder lezen! riep de meester.

— Toe mar Bartje! zei Jan van den timmerman, die vooraan zat en dan herhaalden ze 't overal. — Toe mar Bartje toe mar Bartje!

Sluiten