Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Leneke en Bart liepen met een troepje kennissen de lange dorpstraat door. Telkens gingen er weer van af; even was het een rumoer van vroolijke jongensen meisjesstemmen, die elkaar goeden nacht wenschten en lachend nog 't een of ander nariepen en dan gingen de anderen, stiller geworden, verder tusschen de donkere huizenrijen.

De laatste keerde nu zijn huis in .... de deur sloeg dicht, ze hoorden den sleutel in 't slot knarsen en nu liepen ze alleen verder over den eenzamen weg.

De maan dreef hoog in de lucht, in een breede zee van matzilver licht, op donzige witte golfjes, die in een wijden kring rondomheen verdonkerden en wegvloeiden in den effen zwarten nacht. Een enkel straaltje glom door 't venster van een onzichtbaar huisje, ergens midden in 't land en laag boven den grond blonken roerloos hier en daar bleeke sterretjes, als verre lichtbakens van onbekende kust. Onbewust hadden ze hun gang vertraagd en ze liepen zwijgend naast elkaar en luisterden naar 't geluid van hun gelijke stappen over 't grint, die vreemd-wakker klonken te midden van al de slapende dingen om hen heen.

Het rare soezende gevoel in 't hoofd was weggevaagd door de frissche lucht en 't was er zoo heerlijk in dien eersten mooien lenteavond, dat 't jammer zou zijn nu op bed te moeten liggen. Ze sloegen 't kleine voetpaadje in naast de spoorlijn, om achterom, langs de passen, naar huis te gaan. Ze liepen langs den donkeren rand en stapten op 't gevoel over de greppels die ze er precies wisten te liggen en waarvan ze

Sluiten