Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de breedte kenden, door al die jaren, dat ze daar samen hadden rondgezworven, overdag en bij avond. Leneke had haar hand onder den arm van Bart geschoven en drukte zich loom en moe tegen hem aan en ze had kunnen schreien en wist niet waarom.

Ze zetten zich in 't gras en zaten stil met de handen in elkaar en droomden. —

Heel de wereld was ingeslapen, voor altijd, en er was niets meer dan zij tweeën. De menschen en thuis en al wat ze gekend hadden, 't bestond al lang niet meer en 't was maar een vage herinnering, die jongen en dat meisje, die daar vroeger hadden rondgedwaald door de passen. Nu waren ze twee zieltjes, die daar hoog in de lucht, vrij rondzweefden als vlindertjes, in 't reine witte licht, dat over de aarde lag. De velden en 't groen en de lucht 't was alles van hen alléén en enkel voor hun plezier en ze zouden nooit meer hoeven te werken of gewone dingen doen, zooals vroeger.

Beneden hen in 't zachte gras zat een forsche knaap met den rug tegen een boom en een jong meisje lag tegen zijn schouder en beiden hielden ze de oogen gesloten en sliepen.

Dan ritselde 't zachtjes door de struiken en de luwe adem der lente streek over hun voorhoofd en over de jonge takjes en groene knoppen en wekte 't leven, dat daarin was opgekiemd en rijp geworden, gedurende den langen slaap.

De jongen opende zijn oogen en zag neer op 't kind dat in zijn armen sluimerde Het maanlicht weefde

Sluiten