Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leven lag er open en frisch voor haar, als de bedauwde velden, op een zonnigen Lentemorgen, wanneer ze opstond en uit het venster keek.

Maar van beneden klonk gedempt het geschreeuw van een klein kind en naast haar, achter het beschot hoorde ze 't gesnurk van de meiden....

— 't Was maar een dwaze voorstelling; en 't leven was vertrapt en verknoeid, voor goed!

Ze zag moeder, met 't hoofd in de dekens, liggen schreien... en de dominé en de directrice en alle menschen stonden daar vóór haar en schudden ernstig 't hoofd: — 't Was slecht, Leneke; 't was heel slecht! — Ze keerde zich om en snikte onbedaarlijk!

Dan werd de deur zachtjes opengemaakt en de bleeke juffrouw met den grooten neus, kwam in haar nachtjapon, met het lampje in de hand, naar binnen. Ze streek haar over 't brandende voorhoofd:

— Arm kindje; heb je zoo'n verdriet! willen we

samen eens bidden aan Onzen-lieven-Heer, dat hij 't je mag vergeven !

Ze sprak zachtjes een eenvoudig gebedje uit en 't deed Leneke goed, dat die juffrouw, die er zoo boos uit had gezien, zoo lief voor haar was en ze werd kalm.

De juffrouw stopte de dekens toe en drukte haar een kus op het voorhoofd.

— En probeer nu maar wat te slapen, want 't is al laat!.... en dan hoorde ze haar nog bij zichzelf mompelen : — Zoo'n gemeene kerel; 'k zou wel eens willen weten of hij nu nog geen berouw zou voelen, als hij 't arme kind daar zoo zag liggen!

Sluiten