Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wimke had zich aan den waterkant neergezet en zocht in zijn groot, leeg hoofd naar al die beelden van straks, die nu weer waren weggetrokken, achter dikken mist en donkerte.

Maar ze wilden niet terugkomen, ze waren weg voor altijd en er bleef niets over dan Wimke Luts; Wimke Luts, die altijd zat was, en die niets meer wist, dan rijmpjes voor de kleine jongens, die hem nog najouwden op den koop toe. Wimke Luts, die nergens voor deugde, dan om, net als een klein kind, boodschappen te doen voor 'n dubbeltje, waar hij er dan weer twee voor kon pakken. Maar hij zou ze wel!

— Ros zullen ze hebbe; allemaol! en mè name

dien lupert,*) die me de pet van de kop het geslage!

Dan dacht hij opeens weer aan 't aardige deerntje, dat hij gekust had, of hij niet, maar die andere, 't Was

zoo mooi geweest zoo prachtig mooi! maar nu

was 't weg. Hij schreide zachtjes, dat het alles nu weer

voorbij was; 't was zoo jammer en nu was er

niets meer over, dan die Wimke, die zuiplap, waar hij eigenlijk zoo'n hekel aan had. — Allemaal hadden ze hekel aan hem; hijzelf en Jan-d'n-vilder en de veldwachter en iedereen.

— Verzuipe moste z'm d'n onnutte kjerl hier

in 'twaoter! dan waren ze hem kwijt; en dan zouden de menschen misschien wel spijt hebben, dat hij zich verdronken had, omdat ze zoo slecht voor hem waren geweest, maar dat kon hem niet schelen!

l) Lupert = gluiperd.

Sluiten