Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eind op 't rechter vooruit; op 't andere ging het niet, maar ze kende een toer, dien Jan niet kon nadoen en geen van allen. — Aan 't eind van de baan zette ze de beenen bij elkaar en dan opeens, zonder dat iemand kon zien, hoe 't ging, was ze met een sierlijken zwaai omgedraaid, gleed nog een klein eindje door en stond dan plotseling stil. Jan had 't al dikwijls geprobeerd, wanneer hij aan 't eind aankwam, en niemand er naar keek, maar hij viel telkens; 't was niet te leeren.

— Gullie mot is têge mekaore rèje! zei Driekske, maar Jan schudde 't hoofd:

— 't Hè 'niks van noode; 'k denk da've allebèi krek êve' hard rèje; wa gij Jetje?

— Ko' vort jonges; naor 't gunne eind! riepen de anderen. Veuruit met de geit! Toe Jan, gij veurop!

Hij lei de hand op den rug en dan kwamen Jetje en de anderen er achter; ze grepen elkaar bij de das en bij de kleeren en dan ging er op: één... twéé... drie!... een verward gescharrel en uitslaan van beenen.

Pimmelke was bezig met zijn schaatsen, die altijd loszaten en deed wanhopige pogingen om hen in te halen, maar 't ging nu steeds harder:

— Gelijk uitslaon jonges ! riep Jan; links, rech's

links, rech's !....

Ze struikelden over de vastgevroren biezen, duwden en trokken elkaar hortend en stootend vooruit en schreeuwden om 't hardst:

— È' jong; ge trek' me de kêêl dich!

— Lig toch niet te daüwe Aorië!

Sluiten