Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat daar wel voor prettigs aan kon zijn, om zoo onbeweeglijk in de kou te zitten; en aan 't heele vrijen, of al die andere dingen, waar groote menschen zich mee vermaakten — zooals 't tabakpruimen of 't lezen uit de krant.

Geurt kwam nu terug met een dik stuk ijs in de hand.

— Op zij jonges, daor geet ie! d'rrr af

gullie!

't Stuk slierde over 't ijs en vloog met een slag uit elkaar tegen het schuitje, dat 't paartje elkaar verschrikt losliet en de kerel vloekend op stond om hen te krijgen.

De jongens gierden en schaterden van de pret en stoven weg naar alle kanten. — De koude stilte en de onbewuste angst voor die statige, hooge muren was nu ineens verbroken en ze vervulden de lucht met hun geroep en gelach, dat het galmend weerklonk uit de hoeken en nissen van 't kasteel.

De jongen en het meisje reden weg en de kinderen vielen nu aan op het schuitje, keken onder de banken en trokken aan den ketting en de vastgevroren roeispanen en dan maakten ze uit, wie het 't eerst zou zijn met 't krijgertje.

't Was nu een gescharrel en een druk gejaag naar alle kanten over 't ijs. Roepend en schreeuwend glipten ze elkaar weg onder de handen, doken ineen, en vluchtten op 't gras langs den kant, en niemand merkte 't, dat de zon hoe langer hoe dieper zonk en 't laatste sikkeltje van de groote roode schijf nu eindelijk ook verdween achter den ondersten rand van 't verduisterende bosch.

Sluiten