Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het licht bleef daarachter hangen in bonte kleurschakeeringen van bloedrood en goud, waar de voorste boomstammen als dichte, rechte inktstrepen tegen afgeteekend stonden en verderop was 't een dichte warreling van lijntjes en krabbeltjes op 't effen rozenrood van den avondhemel.

In onmerkbaren overgang veranderden en verflauwden al die kleuren en drenkten met wazige, zachte tinten van mat-brons en teer purper en roze, het wit satijn van de besneeuwde weiden, 't Hooge kasteel werd een grauw, dreigend gevaarte, vol akelige geheimzinnigheid achter de donkere vensters en de kinderen werden bang voor hun eigen oneerbiedige luidruchtigheid en reden haastig en zonder spreken tusschen het donkere geboomte door, terug naar de kom. —

De andere kinderen en de meisjes waren al naar huis en 't was er nu vol groote kerels, die na 't werk nog wat kwamen rijden en hun als zwarte schimmen voorbijschoten. Anderen stonden aan den kant te kijken, of slierden op hun klompen over 't ijs. Maar zoo gauw was er niet een midden op, of de schaatsenrijders kwamen van alle kanten op hem af en zongen:

— Klompeboeren in de geut,

Schartserèjers böve!

Meteen waren de anderen, die aan den wal hadden gestaan, er ook bij, onder het geschreeuw van:

— Ijsberen in de geut,

Klompeboere böve!

't Werd een warrelende klomp van zwarte gedaanten en de vuistslagen klonken dofbonzend op den rug,

Sluiten