Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder 't gelach en geroep van hun ruwe stemmen. — De jongens werden benauwd en reden naar den kant, maar verderop was er weer een klompenboer op 't ijs gekomen en de schaatsenrijders schoten er van alle kanten opaf. Jantje trachtte er haastig tusschendoor te scharrelen, maar een groote kerel reed tegen hem aan en haakte met zijn schaats en ze vielen beiden om en gleden een eind over het ijs.

De kerel stond vloekend op, pakte hem bij den kraag en reed met hem naar den wal; dan zette hij hem neer en gaf hem een paar fiksche slagen met de vlakke hand voor zijn broek.

— Veuruit; en nou naor huis toe, zukke kleine blagen as gij heuren op de sloot; daor lup-te de minsche nie' in de wèg!....

De andere jongens waren er nu ook bijgekomen en vroegen medelijdend, of hij erg had geslagen en of 't zeer deed, maar Jantje z'n stem was verstikt van de tranen en hij snikte luid met de handen voor de oogen.

't Bedaarde eindelijk en dan trokken ze de schaatsen uit en gingen zwijgend langs denzelfden weg, dien ze waren gekomen, door den schemeravond naar huis.

De smidse lag nu donker en koud en overal in 't doffe wit van de besneeuwde vlakte om hen heen, gaapten griezelige holen en spelonken, waar de roetzwarte duisternis zich had opgehoopt, onder aan den slootberm en bij de heesters en struiken langs den weg. — Met het licht was 't laatste vleugje warmte en leven van de aarde verdwenen en er was niets dan

Sluiten