Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

da' ge altijd mar op die auwe sloffe vortlupt 'k

kan de pëtines onmeugelijk vijnde!

Maar Hent voelde zich opgelucht door het idee, dat hij nu die akelige, knellende schoenen niet zou hoeven aan te doen en liet moeder jammeren, dat 't nog schande was voor dien vreemden heer.

Hij ging naar de werkplaats en spijkerde aan den binnenkant van de machine nog een paar planken vast, om 't een en ander op te leggen en dan riep hij Heintje en rolden ze samen voorzichtig den wagen het achterdeurtje uit, tot opzij van het huis.

Maar er was nu nog van alles te doen voor ze klaar waren; Hent zocht een paar zakken bij elkaar om op de bankjes te leggen, en Heintje ging een kippenveer zoeken, voor de olie, om onderweg de assen te smeeren. Achter bij het kippenhok vandaan klonk een angstig gekakel en dan het benauwde geschreeuw van een kip en kort daarna kwam Heintje terug met een mooie witte kippeveer, waarvan de schacht nog blauw was, met een klein bloedvlekje aan de punt:

— 'k Hè t'r mar een uitgeplokke, want d'r lag d'r gin een goeie meer op de grond!

Maar nu hoorden ze de stem van een arbeider, die verwonderd over de heg keek, om te zien, wat er zoo vroeg al te doen was bij Sanders.

— Mèrege same! Zij-de nou al aon 't kiepe

slachte Hent?

Dan zag hij opeens den zonderlingen wagen en nu liep hij de heg om en kwam den tuin in om het rare ding van dichterbij te bekijken.

Sluiten