Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grooten boog om, tot hij weer in 't midden was, op het rechte eind.

Ze kwamen nu langs boomgaarden, waar hier en daar al een vroege pruimenboom den grooten tuil van sneeuwwitte bloesempjes uitstak tusschen het doffe geelgroen van de ontbottende bladeren en halfverscholen daarachter, zagen ze den achterkant van witte en roodsteenen hofsteedjes, waar, zwart, de boogvormige deeldeur in gaapte, met bruingeteerde, scheefgezakte schuurtjes en gele, ruigkoppige hooimijten daarnaast.

Hier en daar was er een arbeider bezig op het land, of ontmoetten ze een eenzamen voorbijganger — een boer, die naar het gewas ging kijken; een knecht, die traag voortslungelde naast de hooggeladen mestkar, of een koopman, die met zijn zwaren linnen zak, aan den stok over den rug, de boerenplaatsen afliep. — Een enkele bleef verwonderd den vreemden wagen staan nakijken of riep hun een spottend woord toe, maar de meesten gingen onverschillig door en letten verder niet op de zonderlinge hondenkar, met de twee gelijk uitziende mannen erop.

Langzamerhand waren ze nu gewend geraakt aan de vreemde beweging en ze trapten rustig door, zonder te praten en dachten aan geen moeheid of ophouden. Maar hoe langer hoe hooger klom de zon aan den hemel en de luwe lentewarmte steeg op uit den dampenden grond. Ze voelden het zweet uitbreken over het geheele lichaam en van onder de pet uit rolden dikke druppels neer over het gezicht.

— 'k Raoj da'-ve mar is 'n pöske uitruste! zei Hent.

Sluiten