Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heen, om elkaar te toonen, dat ze er nu volkomen mee vertrouwd waren. —

Met nauw merkbare verandering van het eentonige, vlakkelandsche uitzicht, gleden de boomgaarden en de weiden en de donkerbruine, met groen doorzaaide akkers kalm en langzaam aan hun oog voorbij en 't zachte gerommel van den wagen over den weg, ging, verloren en klein, door de groote, vredige rust van de morgenstilte, die ver-omheen over de velden lag.

Vóór hen lag de grijze, met groen omzoomde weg en aan den overkant van de sloot stonden lange overhellende rijen knotwilgen, in peinzende beschouwing voor zich neerstarende in het hemelblauw van het water terwijl het koele windje hun dartel door de waardige kruinen streek en 't harde groen met teergrijze bladerspitjes doorsprankelde.

Nu, om den hoek, lag plotseling vóór hen de begroeide rivierdijk, schuins opplooiend in het groene weidekleed, de paaltjes van het hek erboven, scherp afgeteekend, als spijkertjes tegen het blauw van de lucht.

Ze stegen af en duwden den wagen de helling op en nu reden ze daar hoog in de lucht en zagen beneden zich de breede kronkelende rivier en de kleine, bonte vlekjes van boomen-groepjes en huizen, hier en daar verspreid over de breede, groene vlakte.

— En daor hed-de nou de stad! zei Hent rechtswijzend naar een paar kerktorens, die opschoten in de lucht, boven een groepje roode en blauwe daken, zonder orde of regelmaat bij elkaar geschoold.

Ze waren er nu meteen, maar als ze de eerste

Sluiten