Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij noemde Phrygië zijn vaderland,

Waar hij onwillens zonde had begaan,

Zijn broeder zonder willen had gedood.

Dies stiet zijn vader hem met schrikb'ren vloek, Hem, vloek zijns huizes, uit zijn ruim paleis, En joeg den vloek-belaad'nen uit zijn rijk.

Nu was Adrastos dicht bij 't Lydisch land,

En in de verte zag hij reeds den top, Donker-omwolkt, van Tmolos' macht'gen berg, En vóór hem lag, in kabb'ling schuim-getipt, Maiandros' sagenrijke kronkelstroom.

'tWas avond, en den ganschen langen dag Had hij gezwoegd in feilen zonnebrand,

Met korte tusschenpoozen slechts van rust.

't Was avond, en de zonne neeg ten slaap, Gepeluwd noor een wolkenbed vol pracht, Met gloeiing van het diepste karmozijn, Omluisterd door den praal van brandend rood, Dat vlamde langs den stralend-gouden band, Als diadeem geslagen om het hoofd Van d' ernst'gen hemel, die als bruidegom Breed de armen spreidde naar zijn bruid, de zon. En schouwend naar dien weidschen avondgloor, Dat heerlijk kleurenfeest van rood en goud, Den laatsten godenlach der fiere zon Aan de aard' geschonken door haar eeuwig licht, Zat op een mosbank van een heuvelkling

Sluiten