Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan verzuimde hij zich in te schenken, onwillekeurig wachtend tot z'ij hem 't kopje zou overreiken, en hij bezon zich eerst als hij weer den leegen stoel aan de overzijde van de tafel zag, en de thee zeurend begon te koken, zoodat ze bitter en ondrinkbaar was.

Zoo was 't al die vier lange jaren gegaan; altijd was hij alleen; den heelen langen avond zat hij alleen, soms even sprekend tegen de poes, om ten minste een stem, zij 't ook zijn eigene te hooren; den heelen langen nacht lag hij wakker, alleen, starend naar de zoldering, en als hij was ingeslapen, deden zijn droomen hem ontwaken met een snik, en tastte zijn hand naar de plaats naast hem, die troosteloos verlaten bleef.

Toen ze was heengegaan, had er gedurende de eerste maanden van zijn eenzaamheid een opstand in hem gewoed, al de kinderen van zijn ziel waren opgestaan en hadden gerechtigheid gevraagd, rusteloos schreiend: „waarom, waarom? Wat hebben we gedaan dat ze moest heengaan en ons alleen laten; was niet al onze liefde voor haar, hadden we niet recht op haar wederliefde?" Zoo hadden ze gesproken en geweend in zijn binnenste, en zelfs was er een oogenblik geweest, dat er haat in hem opbruiste, omdat ze hem alleen gelaten had.

Maar toen was er rust gekomen. Hij wilde haar niets verwijten, want hij wist dat hij haar te kort had gedaan. De eerste maanden van hun huwelijk waren zoo gelukkig geweest; hun liefde scheen zoo onverbrekelijk, aan een toekomst werd niet gedacht; er was alleen een heden, en dat heden was geluk. Ze behoefden zich geen enkel genot te ontzeggen, en hij had 't zijn plicht ge-

Sluiten