Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat is het heerlijk weèr van avond," zei ze om toch iets te zeggen.

„Ja, en wat is het leven heerlijk als men liefheeft," vervolgde Frans.

Betsy antwoordde niet. 't Was alsof ze zich geheel verdiepte in aanschouwing dier ontelbare hemellichamen, wier koud licht schijnt in de van liefde kloppende menschenharten — stille medeplichtigen van zoo menige later betreurde daad. Zij zag ook niet de blikken waarmee Duprez haar opnam — niet de inspanning om de lippen gesloten te houden uit vrees van de bekoring door één woord te breken. Zij zag niets van den korten strijd, dien hij streed.

„Betsy," fluisterde hij eindelijk terwijl hij haar hand greep, „geloof je dat jaren van berouw en leed de zaligheid kunnen teniet doen der uren gesleten aan de zijde van een wezen dat men liefheeft? Geloof je dat er eene liefde kan bestaan over de felste smart heen ziende, in staat tot hetgeen je zong toen ik binnenkwam:

Pour toi je veux mourir!

Natuurlijk begrijp je 't niet, kind, maar luister naar me, laat me dit oogenblik aangrijpen om't je te zeggen: ik heb je lief! Geen vrouw heeft ooit mijn hart ontroerd als jij met je kinderoogen; geen stem mij ooit zoo doen trillen als jou stem. Betsy," ging hij hartstochtelijk voort, haar in 't ontroerd gelaat ziende, „ik zou met je willen vluchten, ver — ver weg je brengen — waar niemand je zag dan ik alléén! De gedachte dat iemand anders je dit zal mogen zeggen maakt me waanzinnig. Ik ben mezelven niet meester en toch zal je me

Sluiten