Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Kom eens overeind, m'n kind," zegt de arts; „doet de keel zoo'n pijn? Kom, dan moet ik eens in die keel kijken. Mevrouw, heeft u ook een vork bij de hand?" Spoedig is het gevraagde aanwezig, en als de rechtopzittende zieke gaapt, het hoofd door dokters hand wat achterover gebogen, plaatst deze den steel van den vork achter op de dikke, beslagen tong en drukt die naar beneden.

„Zeg eens al" komt de dokter.

„A ... a ... a!" roept het meisje, dat 't ietwat benauwd krijgt en zich angstig maakt.

„Nog eens! — nog één keertje! Goed zoo, ik heb 't gezien," besluit hij, doch blijft nog een geruimen tijd het lijdende meisje aanzien.

„Laat onmiddellijk ijs halen!" beveelt de arts, terwijl hij zijn met goud beslagen portefeuille opent en er een wit papiertje uit neemt. \ ader en moeder volgen met angstige trekken de vlug schrijvende hand van den geneesheer.

„Om de 2 uur gorgelen!" zegt hij „en dan veel ijs geven. Citroen met suikerwater is heel goed geweest! Van middag kom ik terug en nu maar trouw gorgelen, hoor beste meid," besluit hij, „dan krijg je nog een bitter drankje tegen de koorts, elk uur een paplepel!"

Vader is al weg om zelf ijs te halen; de angst geeft hem vleugels, en in ongelooflijk korten tijd is hij in de Rozendwarsstraat bij Struve.

Moeder laat zelve den dokter uit en ziet hem vragend aan.

„Ja, beste mevrouwtje! uw kind heeft diphteritis en in vrij ernstigen graad ook! Maar we zullen doen, wat

Sluiten