Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op den Trein.

Droef schouw ik door de natte vensterruit ; Het Oosten schijnt me een zilvren maliënnet; Zacht schudt het windrig Westen 't grijze bed, En smeltend valt de witte sneeuw er uit.

Groen prijkt het blinkend fijngetipte kruid, Met diamanten parelen omzet ;

De naakte berkboom doet een blank gebed, Opdat de Lente bloem en blad ontsluit.

Ik wou de zon zien, en zie slechts haar licht; Steeds grijze wolken vormend, dikt de doom, En bergt voor mij haar vriendelijk gezicht.

O liefste, die mijn hart zoolang verbeidt,

Voor wie ik leef, van wie ik dicht en droom, Wen vliedt de tijd heen, die mij van u scheidt?

Sluiten