Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heer J. Loopuyt, die in Juni 1846 als Burgemeester der stad overleed, benoemde de bijna algemeene stem der kiezers hem tot diens opvolger als lid van den Gemeenteraad, terwijl hij in October 1856, tengevolge van het afsterven van den heer D. "Verlouw, met eenparige stemmen tot diens opvolger als Wethouder verkozen werd.

Wars van alle uiterlijk vertoon, belette hem zijne als aangeboren bescheidenheid — eene deugd die niet alle rijkbedeelden eigen is — zich op den voorgrond te stellen, maar hoe hij, helder van hoofd, warm van hart en vrij van alle zelfzucht, niet slechts de belangen dezer gemeente, aan welker bloei en welvaart hij in belangrijke mate bevorderlijk was, maar ook als lid en voorzitter der Kamer van Koophandel, den bloei van handel en nijverheid met ernst en ijver ter harte nam; hoe hij, zelf met hart en ziel de echt vrijzinnige beginselen toegedaan, maar toch het goede en ware erkennende bij wien of waar hij het aantrof, zoowel hier en later als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, de belangen van het algemeen steeds trachtte te bevorderen en zijne verdiensten luide erkend werden, dat getuigde de deelneming in 's lands vergaderzaal, maar vooral de algemeene verslagenheid in deze gemeente, toen in Augustus 1861 de droeve mare tot ons kwam: de heer Loopuyt is te 's Hage, te midden zijner werkzaamheden, door eene beroerte overvallen, en meer nog, toen slechts één maand daarna de waardige man zich verplicht gevoelde zijne openbare betrekkingen neder te leggen.

Bijna elf jaren zijn sedert voorbijgegaan en de plaats welke de overledene zoo waardig bekleedde is door anderen ingenomen, doch wie hem ook in het openbaar leven de welverdiende hulde bracht, wie in hem, als chef der hooggeachte firma P. Loopuyt & Co. den loyalen, nauwgezetten man erkende en eerbiedigde, dieper nog zal zijn gemis gevoeld en betreurd worden door zijn Kinderen en bloedverwanten, die in hem een innig geliefden vader en vriend verloren hebben en zijne nagedachtenis zal onvergetelijk blijven bij zoovelen, die hem in zijn vroeger of later leven als mensch, als burger gekend hebben of wie het gegund was in meer of minder nauwe betrekking, hem meer van nabij te mogen gadeslaan.

Zij allen weten toch hoe hij steeds krachtig de hand leende tot bevordering van al wat goed en schoon en edel was, hoe alle zweem van hooghartigheid hem vreemd bleef en hij met waarachtige humaniteit, altijd gereed stond elk die het behoefde met raad en daad bij te staan, en zijn gevoelig hart er hem als toe drong om van zijn warme belangstelling in het lot van anderen op de meest kiesche wijze te aoen blijken.

Onbekrompen milddadig als hij was, zal zijn dood niet het minst door de armen betreurd worden.

Van hem, die zóó leefde, die zóó handelde, mogen

Sluiten