Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op het III. Zinnebeeld.

Van de inwendige en uitwendige dingen.

Het uitwendige is een openbaring van het inwendige.

Wanneer ik spreek, zoo zijn de uiterlijke woorden een openbaring van het inwendige woord dat zich in mijn herte opdoet. Deze zichtbare wereld is niet anders als een uitgeboorte van de inwendige wereld. Al wat wij hier zien, dat is ook inwendig in 't onzichtbare. Gelijk als wij hier vinden licht en duisternis, zoo is inwendig ook een eeuwig licht en een eeuwige duisternis, doch niet veranderlijk gelijk als dag en nacht, maar de duisternis is eeuwig in het licht verborgen, gelijk ook deze uiterlijke duisternis, buiten de plaats der Aarde, altijd in het licht der Zonne verslonden of verborgen is en blijft toch wezenlijk duisternis, gelijk wij dat aan de macht zien, die niet anders is als een schaduw van de grove Aardkloot, die de stralen der Zonne ophoudt; en dewijl dan het licht daar niet heen reiken kan, zoo wordt de "verborgen duisternis aan ons openbaar. De eeuwige duisternis (verstaat: de inwendige) is de toorn Gods en de Hel daarin de Duivelen wonen, mitsgaders de verdoemde zielen. En het eeuwig schijnende licht is het Hemelrijk, een woning der H. Engelen en Zielen. In de plaats dezer wereld is overal Hemel en Hel tegenwoordig *), maar naar den inwendigen grond.

In Gods kinderen is inwendig het Goddelijke werken openbaar en in de Goddeloozen het werken der pijnlijke duisternis.

De plaats van het eeuwige Paradijs is in deze wereld in den inwendigen grond verborgen, en in den inwendigen mensch, zoo Gods kracht in hem werkt, openbaar. Van deze wereld zullen maar de vier Elementen met het Gesternte en de aardsche Kreaturen vergaan als het uiterlijke grove leven aller dingen; de inwendige kracht van alle Wezens blijft eeuwig.

') aanwezig.

Sluiten